Door: Mr Dick Damsma
De laatste tijd is er veel te doen rond het fenomeen ‘scheefwonen’. Vooral op LinkedIn wordt er fel gediscussieerd. Het gaat dan om mensen met eigen woningbezit, die dat – meestal tegen exorbitante prijzen – verhuren, en zelf een sociale huurwoning bewonen. En dat is velen een doorn in het oog.
Er gaan zelfs stemmen op om vermogende huurders ook “aan te pakken”. Zij houden een huurwoning bezet, maar kunnen net zo goed een huis kopen om zo plaats te maken voor de vele duizenden woningzoekenden, die daar niet toe in staat zijn. Die wonen noodgedwongen ergens in, of zijn aangewezen op dure huurwoningen die ze eigenlijk niet kunnen betalen.
Je zou hier genuanceerd naar moeten kijken, vinden wij. Huurbescherming is een groot goed. Zolang een huurder, ook al bulkt hij van het geld, zich als goed huurder gedraagt, hoort hij in principe met rust te worden gelaten. Je kunt ook niet van mensen verlangen dat ze spontaan zeggen: laten we eens naar een kleine, dure woning verhuizen.
Maar er zijn wel uitzonderingen. Ymere voerde vorig jaar met succes een procedure tegen een huurder van een sociale huurwoning. Deze huurder had na het aangaan van die huur door handig beleggen maar liefst drie woningen in het dure prijssegment verworven, maar had geweigerd om zijn huur op te zeggen om in een van zijn eigen woningen zijn intrek te nemen. De rechter stelde de corporatie in het gelijk; de huurder had in de loop van de procedure een van zijn drie woningen verkocht en bezat er ten tijde van het vonnis dus ‘nog maar twee’ (dat wil zeggen onder de door Ymere voor deze actie gestelde grens van drie). De kantonrechter veroordeelde hem niettemin tot ontruiming, omdat hij vrij eenvoudig als verhuurder de huur van een van die woningen kon opzeggen om er vervolgens zelf te gaan wonen. Wij kunnen ons volledig in het besluit van de rechter vinden.
Jammer dat deze actie nog niet breed door andere corporaties wordt nagevolgd. Een van de redenen is wellicht dat dit soort situaties maar weinig voorkomt. Van de bijna 12.000 ‘sociale’ huurders met eigen woningbezit heeft er maar ongeveer 10% minimaal twee huizen. Sommige huurders hebben een woning voor hun kind gekocht, bijvoorbeeld om er ver van de ouderlijke woning te kunnen studeren. Andere huurders hebben een woning geërfd, die ten tijde van het overlijden van de erflater al werd verhuurd. Zo’n huurder zet je niet ‘zomaar’ op straat, zelfs als je dat als corporatie al zou willen.
Wij propageren ‘herverdelingsmaatregelen’ die wel zoden aan de dijk kunnen zetten, gebaseerd op ‘verleiding’. Reserveer ‘dwang’ voor de bijzondere situaties als waar Ymere tegenaan liep. Je moet er toch ook niet aan denken dat corporaties de vermogens van hun huurders in de gaten moeten houden. De jaarlijkse inkomenstoets ten behoeve van de inkomenshuurverhoging is al erg genoeg. Maar mensen die naar objectieve maatstaven gemeten te groot wonen, verdienen het wel om te worden benaderd. Stimuleer woningruil. Breng wat dat betreft de ‘scheefheid’ in kaart en faciliteer. Houd daarbij de regie. Laat je huurders niet hun ‘ruilpartner’ kiezen. Voorkom vriendjespolitiek. Laat ook niet het recht van de kapitaalkrachtigste regeren. Het is niet de bedoeling dat huurders hun huurrecht verzilveren. Zorg wel voor een aantrekkelijk alternatief; vraag bij een verhuizing ‘van groot naar beter’ niet de hoofdprijs voor die kleinere woning, maar neem genoegen met een huurprijs in dezelfde verhouding tot de maximaal wettelijke huurprijs als huurder gewend was voor zijn grote woning te betalen. Als een huurder dan toch blijft weigeren om naar een bij de omvang van zijn huishouding passende, kleinere woning te verhuizen, tja, laat de rechter dan maar een oordeel vellen. Dat zet pas zoden aan de dijk.
